Paul Fournel
Ik had nog nooit van hem gehoord, laat staan iets van hem gelezen, maar vandaag bij het zwembad in Lochem kwam ik op het spoor van Paul Fournel. Mijn jongens waren in het bad en ik zat met een kopje koffie in het restaurant. Ik las de jongste en speciale uitgave van De Muur (nr. 31, januari 2011) waarin auteur Arthur van den Boogaard een zoektocht door de wielerliteratuur en -lectuur begint aan de hand van de vraag: "Wat is toch die o zo wonderlijke connectie tussen schrijven en wielrennen?"
Aan het eind van het boek, ná het hoofdstuk over Peter Winnen's Van Santander naar Santander, schenkt Van de Boogaard aandacht aan Paul Fournel, een Franse schrijver die heel veel van fietsen houdt. Fournel heeft een paar gedachten op papier gezet die ik een paar keer overlees en die me vasthouden. Het zijn rake gedachten van Fournel. Ik zet ze daarom in dit bericht zodat ik ze niet vergeet en nog vaker tot me laat doordringen.
De eerste gedachte is naar aanleiding van de vraag waarom hij geen (professioneel) wielrenner werd. Zijn antwoord: "De behoefte aan de fiets was altijd gericht op de bezigheid zelf, niet op het aftroeven van tegenstanders".
De tweede gedachte heeft betrekking op de verhouding tussen zijn werk (schrijver, cultureel attaché) en de fietserij: "De regels van en het doel van het wielrennen zijn altijd hetzelfde. Het plezier van fietsen schuilt in de herhaling, niet in het creëren van iets nieuws".
Bronnen: Arthur van den Boogaard, "Slipstroom" in: De Muur nr. 31, januari 2011, en Paul Fournel.
Aan het eind van het boek, ná het hoofdstuk over Peter Winnen's Van Santander naar Santander, schenkt Van de Boogaard aandacht aan Paul Fournel, een Franse schrijver die heel veel van fietsen houdt. Fournel heeft een paar gedachten op papier gezet die ik een paar keer overlees en die me vasthouden. Het zijn rake gedachten van Fournel. Ik zet ze daarom in dit bericht zodat ik ze niet vergeet en nog vaker tot me laat doordringen.
De eerste gedachte is naar aanleiding van de vraag waarom hij geen (professioneel) wielrenner werd. Zijn antwoord: "De behoefte aan de fiets was altijd gericht op de bezigheid zelf, niet op het aftroeven van tegenstanders".
De tweede gedachte heeft betrekking op de verhouding tussen zijn werk (schrijver, cultureel attaché) en de fietserij: "De regels van en het doel van het wielrennen zijn altijd hetzelfde. Het plezier van fietsen schuilt in de herhaling, niet in het creëren van iets nieuws".
Bronnen: Arthur van den Boogaard, "Slipstroom" in: De Muur nr. 31, januari 2011, en Paul Fournel.
